Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111

een van woede verbleekt gelaat aanzag. „Hoe zij daar weer huishouden! Mannen, vrouwen en kinderen worden vermoord en uitgeschud. O, maar het schreit ten hemel!"

De oogen der mannen gloeiden van haat, en zij zwoeren elkander niet te zullen rusten, eer de laatste vü'and uit deze landpalen verdreven was.

Ook Marten verkeerde diep onder den indruk van het ontzettende schouwspel, en het kostte hem weinig moeite om zich voor te stellen al den jammer, al de ellende, die op dit oogenblik te Saardam geleden werd. Hoe hadden immers de ellendelingen gehandeld op de hoeve zijner ouders! Zrjn hart beefde van ontsteltenis, en tranen vulden zijn oogen. Een ontzettende haat tegen alles wat Spanjaard was, maakte zich van hem meester, en hij haakte er naar| den strijd tegen die roovers en moordenaars aan te binden.

„Neef!" riep hij uit, en zijn stem trilde van edele verontwaardiging, — „Neef, mijn besluit is genomen jj ik blijf hier, om met u te strüden tegen die monsters, die zich niet ontzien, om zulke daden te doen. Ook ik schaar mij onder de "Vrijbuiters!"

„Goed gesproken, Marten," zei 't Oude Hoen, terwijl hij hem de hand drukte. En 't Jonge Hoen voegde zich bij hem en sprak:

„Wij strijden voortaan samen, Marten, en al zün we jong, de Prins van Oranje zal geen trouwer

Sluiten