Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

125

Eens op een morgen stond hrj daar weer, toen zijn aandacht getrokken werd door een menigte mannen, die in de verte naderden. Hij zag scherp toe, en merkte al spoedig op, dat het een vendel krijgsknechten was. Neen, daarin kon hij zich onmogelijk bedriegen, want hij zag, hoe de stalen lansen flikkerden in de zonnestralen. Ongetwijfeld waren het vijanden, die op weg waren, om Westzaan te bespringen en te plunderen. Het gevaar naakte dus. Hij klom van den trans naar beneden en greep het klokketouw. Met zwaren galm verkondigde het brommen van de kerkklok de komst van den vijand. In allerijl verliet hij het kerkgebouw, om zich naar zijn hoeve te begeven en daar de noodige maatregelen te nemen. Overal snelden de bewoners de huizen uit, angstig en verschrikt, en niet wetende, wat te beginnen. De vrouwen en kinderen jammerden.

De mannen grepen naar de wapens.

„Wat is er? — Wat is er?" werd er angstig gevraagd, en 't oude Hoen antwoordde, zonder zich echter ook maar een oogenblik op te houden:

„Bergt je menschen, de vijand komt!"

En nu klonk het van mond tot mond:

„De Spanjaarden komen! De Spanjaarden komen!"

In een oogenblik tijds heerschte in het anders zoo vreedzaam Westzaan een onbeschrijflijke verwarring. Vele mannen droegen alles van waarde naar buiten, en zochten met vrouw en kinderen

Sluiten