Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

146

de hand en schoven wat naderbij. Als 't Oude Hoen zeide, dat hij een plannetje had, was het gewoonlijk wat goeds, dat wisten zij bij ondervinding.

„Laat hooren," klonk het nieuwsgierig. En 't Oude Hoen hernam:

„Als gewoonlijk gaan Aelbert en Marten uit visschen, en als zij een goede vangst gehad hebben, roeien zij niet in de eerste plaats naar Amsterdam, maar komen hier in deze herberg, om ons daarvan mededeeling te doen."

„Mooi zoo," zei Jan Slob, zich de handen wrijvende van genoegen, „dan zoek ik er eerst de lekkerste paling uit, want daar zijn mijn vrouw en ik groote liefhebbers van. — Dat is goed bedacht, 't Hoen!"

„Jij blijft er nuchter van!" zei Symensen lachende. „En verder?"

„Wy brengen dan eenige groote tobben aan boord, en in elke tobbe neemt een Vrijbuiter plaats...."

„O jé, wat dikke palingen V' lachte Jan Slob. „Veel te dik, zelfs voor de maag van een Spek."

Een daverend gelach weerklonk door de herberg, en Jan Slob kon men er gemakkelijk bovenuit hooren. Hij had zelf kolossaal veel pret over zijn grap.

„Zou je dan denken, 't Hoen, dat die Spanjaard geen verschil kan zien tusschen een Vrijbuiter en een paling?" vroeg een ander.

„Elke tobbe wordt toegedekt met een andere tobbe,

Sluiten