Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

Hü wist wel, dat dit een onmogelijkheid was, maar toch, — dat zij hem nooit eenig bericht gezonden had omtrent de plaats van haar verblijf, dat kon hü zich niet begrijpen en stemde hem verdrietig. Zü wist toch, hoeveel hij van haar hield, hoe lief hü haar

had. O, hij verlangde onuitsprekelijk naar haar

„Waar denk je zoo ernstig over, Marten?" riep zyn vriend hem toe, die zag, hoe hü de armen slap liet hangen en peinzend op het water staarde. „Speelt zuster Anna je weer door het hoofd?"

„Ja," zei Marten zacht. „Ik kan het niet helpen, Aelbert. Altoos als ik hier bü Ruichoort kom, nemen mgn gedachten denzelfden loop, en 't is nu al zooveel weken geleden, dat zij is weggegaan."

„Moed houden, Marten! We hebben alles gedaan, wat we konden, om haar te zoeken, en we zullen haar eenmaal vinden ook, daar twijfel ik niet aan .. ."

„Ja, maar dat zü nooit eenig bericht heeft gezonden, maakt me toch wel bezorgd en angstig," viel Marten in. „Ik vrees, dat haar een ongeluk overkomen is, of dat zij wellicht in de handen der vüanden viel. O, dat zou verschrikkelük wezen."

„Hoe had ze je bericht kunnen zenden?" vroeg Aelbert schouderophalend. „In de eerste plaats weet ze niet, waar je bent, en is het dus onmogelük om met den een of ander bericht meê te geven,

en dan nog wemelt het hier van vüanden, die

Och kom, wees toch wüzer! Je weet zelf wel, dat

Sluiten