Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

156

mopperde er een. „Die groote Heeren hebben altoos een schreefje voor."

Nauwelijks had de Overste de groote tobben opgemerkt, of hij zeide, terwijl hij zijn schuitje met een touw aan het roeibankje van de andere schuit vastbond:

„Zoo, zoo, je schijnt een heelen voorraad te hebben. Zijn die groote tobben daar vol visch?"

„Allemaal wit vischjes, Overste, voor den minderen man," antwoordde Aelbert. „De lekkerste visch hebben wij hier in de kaar, paling, om van te watertanden."

Hij tilde het deksel van de kaar, greep een schepnet, en wilde de palingen opscheppen, maar met voordacht deed hij dat zoo onhandig, dat de dikste beesten hem telkens ontsnapten. De overste bleef in zijn eigen schuitje, wat natuurlijk niet in de bedoeling der jonge Vrijbuiters lag. Zoodra de twee booten aan elkander vastgelegd waren, hadden zij de riemen ingehaald, zoodat de vaartuigjes thans langzaam door den Oostenwind en den stroom werden medegevoerd en van de stad afdreven.

„Ha, dat ik dien dikkerd, daar in dien hoek, maar niet krijgen kan!" zei Aelbert, telkens vergeefsche pogingen doende, om hem in zijn net te krijgen.

„Je weet wel, Marten, dien dikkerd, dien wij al dadelijk voor den Heer Overste bestemd hadden. O, als U hem ziet, weet ik zeker, dat U hem hebben moet."

Sluiten