Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

169

vaandel, dat geel en groen gestreept was en op de gele baan het roode Andrieskruis vertoonde. En daarachter volgden de ruiters met de roode, dubbeltongige wimpels aan de lansen, in blinkende rustingen, het hoofd met den helm bedekt, en aan den arm het glinsterend schild. Voorwaar een schoone stoet, waarop menig oog met welgevallen zou hebben gerust, indien niet brooddronkenheid en ruwheid het kenmerk dier mannen waren geweest, waardoor zü een voorwerp geworden waren van haat en afschuw bü de landzaten. Thans zag men hen liever gaan dan komen.

Zij vervolgden langzaam hun tocht, want de paarden hadden moeite, hun pooten, die soms tot over de knieën in den modder wegzakten, daaruit op te trekken, en meer dan eens moest de berijder van de sporen gebruik maken om het dier, dat de moed ontzonk, tot meerdere krachtsinspanning aan te manen.

De ruiters zelf waren onbezorgd en vroohjk. Gevaar viel er voor hen, naar zij meenden, niet te vreezen, want welke overmoedige zou het durven wagen, den strijd aan te binden tegen een goed gewapende ruiterbende van wel honderd vijf en twintig man sterk?

O ja, 't Oude Hoen had menigmaal biyk gegeven, dat hij niet tegen een strgd met een overmachtigen vyand opzag, maar toch — tegen een bende als deze zou hij het wel laten. Daarvoor waren zijn

Sluiten