Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

178

De Vrrjbuiters, verhit door den bloedigen strijd, heffen een woesten juichkreet aan. Zij zün overwinnaars gebleven. Achttien eenvoudige boeren hebben honderd vijf en twintig goed gewapende ruiters verslagen.

Thans vallen zü op hun prooi aan. De lüken worden van alles beroofd, wat waarde heeft, waarlük een afschuwehjke bezigheid! Maar zij kennen geen medelüden. Hadden de Spanjaarden ook hen niet beroofd van alles wat hun lief was, hadden zü niet hun ouders gedood, hun hoeven verbrand of geplunderd, hun vee geroofd? Oog om oog, tand om tand, dat was helaas de leus van den oorlog. De berooide en uitgeschudde mannen kennen geen medelüden en hun harten zijn verhard.

Naakt uitgeschud bleven de ongelukkige slachtoffers op het slagveld, en de Vrijbuiters haastten zich de verschrikte paarden, die overal rondliepen, op te vangen. Zü koppelden ze aan elkaar, en een gedeelte der mannen voerden ze langs den weg, tot zy de plaats bereikt hadden, waar het water het smalst was. Ook het jacht was daarheen geroeid. De Vrijbuiters bonden de dieren daaraan vast, dreven hen in het water en roeiden naar den overkant. De paarden waren dus wel gedwongen om den tocht zwemmende mede te maken, en als er waren, die den overkant niet konden bereiken, werd eenvoudig de halster losgesneden en vonden de dieren den dood in de golven.

Sluiten