Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

De vreemdeling haalde een brief te voorschijn en overhandigde dien met de woorden:

„Uw roem is tot het leger om Haarlem doorgedrongen en heeft bij verscheidene Oversten en Hoplieden het verlangen gewekt u te zien en kennis met u te maken. De Heer Van Licques, die in het bosch het bevel voert over de Walen, noodigt u in dezen brief uit hem een bezoek in zün kamp te willen brengen. Hij waarborgt u, als eerhjk krügsman, dat u zelfs geen haar op uw hoofd zal worden gekrenkt, en biedt u vrügeleide aan. Hü heeft mij gelast er bü u op aan te dringen, dat u deze uitnoodiging aanneme."

Er heerschte, nadat de vreemdeling deze woorden had gezegd, eenigen tüd stilte in het vertrek, 't Oude Hoen fronste de wenkbrauwen en verzonk in diep gepeins, Vrouw Geerte keek haar man met angstige oogen aan, als om hem te smeeken, de uitnoodiging af te wüzen, en ook de beide knapen hielden hun blik op hem gericht, alsof zü hem het antwoord van de lippen wüden lezen.

Eindelijk sprak Vrouw Geerte met een zucht: „Maar Govert, je denkt er toch niet over, de uitnoodiging aan te nemen? Je zult je toch niet wagen in het hol van den leeuw? Wie weet, welk lot je daar te wachten staat! Ga toch niet, wat ik je bidden mag."

Een fijn lachje krulde de lippen van den vreemdeling.

i

Sluiten