Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

186

Slob. „En wie weet, waar mijn bezoek misschien goed voor is. De toekomst is duister te lezen."

De reis werd vervolgd. Het viertal roeide het IJ over, langs het eilandje Ruichoort, en legde aan de overzijde het schuitje op een veilige plaats vast. Te voet gingen zy verder tot zij het Spaarne bereikten, waar een jacht gereed lag, bemand met Spaansche krijgers, die thans echter als roeiers dienst moesten doen.

„Ziedaar het vaartuig, dat ons naar het kamp zal brengen," sprak de Hopman, terwijl hij aan boord stapte. Met een hoffelijk gebaar wees hij 't Oude Hoen een plaats aan naast zich op de bank, en de beide jongelieden op een andere. Daarna gebood hü de krijgsknechten van wal te steken, en voegde hun toe:

„Mannen, ziehier drie dappere Vrübuiters, die zich op verlangen van Uw Overste naar ons kamp begeven. Vergeet niet, dat Uw leven borg is voor het hunne."

Onder den tocht voerde de Hopman een druk gesprek met 't Hoen, en Marten zei zacht tot zyn vriend :

„Oeloof jü, dat er verraad in het spel is?"

„Neen, — geen oogenblik!" was het antwoord. „En ik vind het wat aardig, dat ik nu eens op mijn gemak een kykje kan nemen in het kamp der Spanjaarden. Ik heb daar al lang naar verlangd."

„Ja," zei Marten droevig, „maar nog meer wensch ik in de belegerde stad te komen..."

Sluiten