Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

187

„Waarom?" vroeg Aelbert met eenige verwondering. „Heb je dan lust, daar vandaag of morgen den plunderenden vijand in handen te vallen? Want het staat bü mn' vast, dat Haarlem verloren is. Alle pogingen, die de Prins tot ontzet heeft aangewend, zijn tot nog toe mislukt."

„Och ja, dat alles weet ik wel," zei Marten. „Maar de gedachte wil mij maar niet uit het hoofd, dat mün zuster Anna zich in die stad bevindt, en ik zou het vreeselijk vinden, als zij bij de overgave, die ook volgens mijn meening volgen moét, den vijand in handen viel."

„Hoe kom je toch op de gedachte, dat Anna juist daar zou wezen?"

„Omdat ik stellig al bericht van haar had gehad, als zij ergens anders was. Neen Aelbert, ik geloof vast en zeker, dat zjj zich in Haarlem ophoudt, en ik maak mij daarover bekommerd en angstig. Zeg, — zou er geen middel voor mij zyn, om in de stad te komen? O, ik verlang zoo vurig..."

„Om er in te komen misschien wel, maar om haar te verlaten, zeker niet..."

„Dat is ook niet noodig!" viel Marten in. „Alsik er maar eerst in was, dan kon ik zoeken en zoeken, totdat ik haar gevonden had, en wie weet, of ik dan ook geen middel zou vinden, om met haar te vluchten. D£ar mag zij niet blijven."

„Wij zullen er met Vader over spreken en diens

Sluiten