Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

189

't Oude Hoen keek hem ernstig aan, maar gaf geen antwoord.

„Schijnt mijn verlangen u een dwaasheid toe, Neef?" vroeg Marten.

„Neen, — ook ik houd het voor mogelijk, dat Anna naar Haarlem is gevlucht," was het antwoord. „Ik zou er ook niets op tegen hebben, dat je een poging..."

„Maar als Marten gaat, houd ik hem gezelschap, met uw goedvinden," viel Aelbert in.

Zijn vader glimlachte even, en zeide:

„Welnu, ik heb niets tegen je plan, en Aelbert mag mijnentwege méégaan, — doch met den besten wil ter wereld zou ik geen middel weten te bedenken, om binnen gindsche muren te komen. Ik acht dat bepaald een onmogelijkheid."

Er werd nog geruimen tijd over het plan gesproken, maar van welken kant zij de zaak ook bekeken, zjj stuitten telkens op onoverkomelijke moeilijkheden.

Het duurde niet heel lang, of de Hopman keerde terug, thans in gezelschap van een groot aantal voorname Veldoversten, die allen nieuwsgierig waren naar den gevreesden Vrijbuiter, dien zij zich voorstelden als een voornaam Hollander, met een groote, indrukwekkende gestalte en buitengewone spierkracht.

Wie schetst echter hun verbazing, toen zij daar een eenvoudig boertje voor zich zagen, klein van

Sluiten