Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïei

„Hartelijk dank, Heer, voor uw vriendelijke bedoeling, maar ik mag van den vijand geen geschenken aannemen."

De Heeren keken den eenvoudigen, waardigen man met bewondering aan, en de Heer de Licques bleef er op aandringen, dat hij het geschenk zou aannemen.

„Zeer zeker niet, Heer," — sprak 't Hoen, en glimlachend liet hij er op volgen: „Maar mocht het lot willen, dat ik ooit als krijgsgevangene tegenover u kom te staan, wil dan mijner gedachtig wezen."

„Daarop geef ik U mijn woord!" zei de Licques met een krachtigen handslag.

Er volgde nu een levendig gesprek, waaraan allen deelnamen, en de drie Vrijbuiters gevoelden zich volkomen op hun gemak. Zij waren er thans ten volle van overtuigd, dat hier geen verraad in 't spel was.

Zoo ging er een uurtje voorbij, toen plotseling de stemmen verstomden en alle aanwezigen opschrikten door een hevig musket vuur en het gedruisch van wapenen.

Vlug sprongen de aanwezigen van hun zetels op, en onder den uitroep:

„De Haarlemmers doen een uitval! Te wapen! Te wapen!" snelden zü de tent uit. In minder dan geen tijd was ons drietal alleen, en ook zij begaven zich naar buiten, om te zien, wat er aan de hand was.

Sluiten