Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

192

Er heerschte in het Spaansche kamp een groote levendigheid. Van alle kanten zag men krijgslieden naar de bedreigde plaats snellen, vanwaar zich een verward gedruisch van menschelijke stemmen, musketschoten en wapengekletter deed hooren. In de verte zagen zij den strijd .. .

Ha, de oogen der Vrijbuiters tintelden met een heeten gloed, en zij sloegen onwillekeurig de handen aan het rapier.

„Vader!" riep Aelbert met geestdrift uit, „Vader, laten wij hier toch niet als laf hartigen blijven staan, terwijl ginds onze broeders hun leven wagen..."

En hij trok zijn rapier half uit de scheede met bevende handen. Maar 't Oude Hoen zei kalm en bedaard:

„Dat kan en mag niet, jongen. Ik ben onder vrijgeleide hier gekomen, en daardoor tegen wil en dank verplicht hier te blijven. — Maar je wilt immers binnen gindsche muren komen?"

„Ja, — ja!" riep Marten heftig uit. „Dat wil ik!"

„Ga dan, mijn jongen," klonk het ernstig. „Ginds doen de Haarlemmers een uitval, zooals zij er reeds zoovele deden. Ga, en sluit u bij hen aan. Ook nu zal wel hel einde wezen, dat zij teruggedreven worden. Voeg U bij hen, en de poorten zullen voor u, als voor hen, geopend worden. Ga, zeg ik, en God bescherme u!"

„Ja, ik ga!" riep Marten vurig uit. „Een betere gelegenheid krijg ik nooit!"

Sluiten