Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

Doelloos dwaalden Marten en Aelbert door Haarlems straten. Zij kenden daar niemand, en niemand kende hen. Overal keken zij rond, of soms iets hun op het spoor zou kunnen brengen van de verloren zuster, maar tevergeefs. Zij dwaalden de stad door van het eene einde tot het andere, en overal zagen zij de sporen van den geduchten strijd, die nu reeds vier maanden had geduurd, en de verbrokkelde en vergruisde muren en de gehavende poorten, waarin de bressen met aarde, puin, meubelen, en zelfs met de beelden uit de kerken waren dichtgestopt.

Op hun tocht door de stad ontmoetten zij den bevelhebber der vesting, Wybout Ripperda, den dapperen krijgsman, die door zijn moed en krachtig beleid reeds zooveel had bijgedragen tot het behoud der stad. En zij zagen ook Kenau Simons Hasselaar, de dappere vrouw, wier moed reeds tot ver buiten de muren bekend was. Met bewondering aanschouwden zij de kloeke weduwe, die zich zoozeer beijverd had bij het herstellen van muren en poorten, en die zich zelfs niet had ontzien de mannen ter hulp te snellen op de wallen, als de Spanjaarden de stad bestormden en mannenkrachten te kort schoten, om hen te wederstaan. Dan snelde zij met het zwaard in de hand ter hulp, en verscheidene vrouwen en meisjes, aangevuurd door haar moed, volgden haar in den strijd.

De beide jongelingen bleven staan om haar goed

Sluiten