Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

204

hü niet gewoon, als het donker werd, buiten te zy'n.

't Werd stiller in de straat; de menschen trokken zich in de huizen terug, voorzoover zij de wacht niet moesten houden op de muren.

Opeens klonk een heldere stem op eenigen afstand achter hen, terwijl een handgeklap zich deed hooren.

Kees spitste de ooren.

„Kees ! — Kees ! — Waar zit je, Kees ? — Kees !" Een luid blaffen was het antwoord van den hond.

Marten bleef ontroerd stilstaan.

„Dat is Anna! — Dat' is haar stem!" mompelde hij zacht. Kees keek Marten aan, alsof hij hem wilde vragen, met hem mede te gaan. En de heldere stem achter hem herhaalde: „Kees! — kom, Kees !"

Met groote sprongen ijlde Kees weg, en de jongens liepen even hard met hem mede. Ha, ginds zagen zij in een geopende deur de gestalte van een meisje.

„Brave hond!" zeide ze vriendelük, toen Kees tegen haar opsprong, en zü wilde hem streelen, maar toen zy' de beide knapen op zich zag afkomen, maakte zy' eene beweging van schrik en wilde snel de deur sluiten.

„Anna! — Anna!" riep Maarten haar toe, en zijne stem bleek tooverkracht te bezitten. Zij herkende dadelük de stem van haar broeder.

Schreiende van geluk en aandoening vielen zij elkander in de armen en zy' konden geen woord

Sluiten