Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

213

„Zeilen hrjschen?" vroeg Aelbert zacht.

„Goed," sprak Marten, die op het voorbankje gezeten, half over de plecht hing met het vuurroer in de hand en de brandende lont naast zich. Scherp tuurde hij voor zich uit, of er ook onraad dreigde.

Anna hield intusschen het roer. Zij had vroeger dikwijls gevaren en kon roeien en sturen als de beste. Vlug zette Aelbert den mast omhoog en heesch hn het groote zeil en het topzeil, terwijl Marten met een snelle beweging de fok aansloeg.

't Woei hard, en de boot kreeg onmiddellijk een snellen gang. Anna verliet hét achterbankje en gaf het roer over aan Aelbert. Zij ging op eene andere bank zitten, met Kees aan hare voeten.

„Anna," sprak Aelbert, „als er een hevige windvlaag komt, laat dan het groote zeil wat vieren, want je begrijpt wel, dat we veel te veel zeil voeren, en kans loopen om te slaan. Houd het touw vast met één slag om den knop, zoodat je het gemakkelijk kunt laten schieten."

Anna was vlüg van bevatting en begreep hem volkomen. Bepaald vrees voelde zij niet, hoewel zij ten voUe overtuigd was, dat deze tocht met groote gevaren gepaard ging. Als zij ontdekt werden door den vijand, die in een nacht als dezen ongetwijfeld dubbel waakzaam zou znn, waren zij onherroepelijk verloren.

De wind gierde door de zeilen en langs den mast,

Sluiten