Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

214

en de boot schoot pijlsnel door het water. De drie vluchtelingen hoorden het water tegen de boot klotsen, en soms helde het vaartuigje zoo dreigend overzij, dat het maar weinig scheelde, of het sloeg om. Ook dat was een gevaar, dat hun boven het hoofd hing. Maar de jonge Vrijbuiters kenden geen vrees; daarvoor hadden zij reeds te dikwijls allerlei gevaren onder de oogen gezien en overwonnen. Bovendien wisten zij, dat juist van de snelheid van hun vaartuigje alles kon afhangen. Zij moesten sneller kunnen zeilen, dan de vijand roeien, als dat noodig was. En als de wind zoo fel bleef razen, was dat ongetwijfeld het geval.

Anna vertrouwde zich geheel aan hare beide geleiders toe. Zij wist, hoe moedig zij waren, en dat zij beiden waakten voor haar leven en hare vrijheid* En mocht soms de boot dreigen om te slaan, zoodat zij een gilletje van schrik bijna niet bedwingen kon, toch beheerschte zij zich en liet geen angst blijken.

„Ginds nadert iets!" waarschuwde Marten zacht, terwijl hij zich nog meer inspande, om iets in de duisternis te onderscheiden.

Op 't zelfde oogenbhk grepen zoowel Anna als Aelbert naar het vuurroer, en Anna drukte het zich in voorovergebogen houding tegen den schouder. Zwijgend vroegen zü' zich af:

„Wat zal het zün: vriend of vüand?"

En doodstü wachtten zü af, wat er komen zou.

Ê

Sluiten