Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

222

snikte. En zij zagen met deernis het bleeke gelaat van Aelbert, die door de vreeselijke tijding diep geschokt was.

Opeens verbrak Marten de stilte door te vragen: „Vrienden, zouden wij geen poging kunnen doen om hem te redden? Wie weet, waarheen hij gevoerd is?"

„Hem redden?" vroeg Claes Kees Symensen, „hoe zouden wij dat moeten doen, Marten? Wij weten niet eens, waar hij zich bevindt..."

„En zou hij nog wel in leven zijn? Ik betwu'fel het," sprak Jan Diewens zacht. „Voor een Vrijbuiter heeft de Spanjaard geen genade, en stellig niet voor 't Oude Hoen!"

„Maar we konden het toch beproeven," hield Marten vol. „Als een van ons een dergelijk lot getroffen had, weet ik zeker, dat hij rust noch duur zou gehad hebben..."

„Maak je geen illusies, Marten," viel Symensen in. „Hadt jü, evenals wij, de vreugdekreten der vijanden gehoord, toen 't gevreesde Hoen hun in handen viel, dan zou je geen oogenblik twijfelen aan zijn lot. Ik ben er van overtuigd, dat hij niet meer leeft..."

„O, als zij hem maar niet gemarteld hebben," snikte Aelbert, terwjjl hij zijne moeder de armen om den hals sloeg en zün hoofd tegen haar schouder vlijde.

f.

Sluiten