Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

mee weg in den donkeren nacht.

„Wacht," dacht Tyl, „nu zullen we een grap hebben." Hij stak zijn hand uit den korf en trok den voorsten drager ferm aan 't haar*). Deze meende, dat zijn kameraad hem dit koopje bezorgde, en gaf hem dus een flinken uitbrander.

„Droom je soms?" vroeg die, de juiste toedracht der zaak niet in 't minst vermoedend, want 't was zoo donker, dat je geen hand voor de oogen kon zien; — „hoe kan ik jou nu aan je haar trekken? Ik heb mjjn beide handen wel noodig, om den zwaren korf niet te laten glippen!"

Uilenspiegel had de grootste pret, toen hij hen zoo tegen elkaar te keer hoorde gaan.

Zuchtend en steunend onder het gewicht van hun vracht, die wel hoe langer hoe zwaarder scheen te worden, vervolgden de dieven hun weg. — Na een poos stak Tyl weer zijn hand naar buiten en trok nu den achtersten drager aan 't haar.

De man werd geducht boos op zgn makker. „Wat is dat voor een manier van doen ?" riep hij uit. „Ik, sjouw en zwoeg, wat ik maar kan en onderwijl haal jij zulke flauwe grappen uit!"

„De? Waar heb je het toch over!" zei de ander, heel verontwaardigd.

„Di zeg, dat ik niet verkies aan mijn haar getrokken te worden."

„Wel, nu nog mooier! Wou je beweren, dat ik je

*) Zie plaat omslag.

Sluiten