Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

Uilenspiegel was onderwijl ook naar beneden gekomen.

„Wat heb je nu weer uitgehaald," sprak zijn baas. „Wat is dat?"

„Een wolf, zooals u mij gezegd hebt," antwoordde Uüenspiegel.

„Zoo'n wolf bedoelde ik niet," zei de kleermaker. „Ik noemde dat grijze boerengoed maar zoo." „Ja, dat wist ik niet; had ik 't geweten, geloof maar

vrij, dat ik liever 't pak JÊÉ had gemaakt, dan dit

Uilenspiegels »woif« 't eerste dat hfi zag. gaan. Uüenspiegel moest

Er lag een jas, die klaar was op 't inzetten der mouwen na; die wierp hij zijn knecht toe en zei: „voordat je gaat slapen, moet je de mouwen nog gauw even aan deze jas gooien."

„Goed," sprak Uüenspiegel, hing de jas aan een haak, stak twee lichten aan en haalde allerlei malle fratsen met de mouwen uit tot aan den morgen.

Zijn baas wist niet wat hij zag, toen hij Uilenspiegel zoo bezig vond. Dat de snaak niet naar bed was geweest, kon hij wel bemerken aan de uitgebrande lichten.

beestje. Bi heb er nog een heel werk aan gehad."

Hiermee liep de zaak af.

Vier dagen later wou de baas evenwel weer wat vroeger naar bed

echter nog opblijven.

Sluiten