Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

kon doen als hijzelf. — Uilenspiegel had er al op gerekend, dat 'tzoo zon gaan. —

Toen hij 't verlangde gekregen had — hij was meegegaan naar den wijnkelder, zooals gebruikelijk was —

verDorg nij ae Kan met wrjn onder zijn mantel, haalde de kan met water te voorschijn en zette die, zonder dat de ander 't bemerkte, naast het vat. „Hoeveel kost een maat wijn?" vroeg hij daarop.

„Veertig penning," was 't antwoord.

„Dat is te duur," sprak Uilenspiegel; „ik heb niet meer dan vier-en-twintig penning; kan ik daarmee niet volstaan?"

De patroon werd boos. „Wat!" riep hij uit, „vermeet je je mijn wijn te schatten? In den ..Raadskeld«r" wnrdt

Uep in aJle kalmte weg. niet affrednnp-An : nla i« ^in. m^f

±±xtxu>± uatw u.c lioiuert! t>HiitU. eu zien

• jj. j -i , .. , 0 *?

ui je t ua»r geuaan Krijgt, veertig penmng moet je betalen en als het je niet aanstaat, laat je den wijn

uuuugewuuu nier in aen Keiaer. ik oen om zoo'n Klant, jij» gerust niet verlegen." Meteen nam hij de kan op, die naast 'tvat stond, en goot haar uit door 't spongat, zonder er natuurlijk eenig idee op te hebben, dat er water, in plaats van wijn, in was.

Uilenspiegel liep in alle kalmte weg met de voor den patroon^raadselachtige woorden: „er is niemand zoo knap in eigen oogen — onthoud dat maar goed —

Sluiten