Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

banken vroeg: „hoor jeze rinkelen? Een mooie klank,he?"

„Ja," zei de waard, „den klank hoor ik wel, maar —"

Schielijk stak Uilenspiegel zijn geld weer in den zak.

„Precies zooveel als jij hebt aan den klank van mijn geld, heeft mijn maag nu nog aan den geur van jouw gebraden vleesch," sprak hij.

Meteen stond hij op, trok in 't voorbijgaan een langen neus tegen den waard en liep 't logement uit, om er nooit weer terug te komen.

XXXIY.

Hoe Tyl Uilenspiegel maakte, dat een vrouw al ttaatt potten en pannen stuksloeg.

In Bremen woonde een voorname heer, bij wien Uilenspiegel om de streken, die hij uithaalde, zeer in de gunst stond.

Op zekeren dag wilde Uilenspiegel hem echter ook eens foppen en vertelde hem, met een ernstig gezicht, dat hij heelemaal veranderd was. Hij had meer dan genoeg van al dien onzin, zei hij, en was van plan, voortaan als een rustig burger te leven.

Dit vond zijn beschermheer niets prettig. Hij overlaadde Uilenspiegel met weldaden, die de schelm kalmpjes aannam en beloofde, hem nog veel meer te zullen geven, als hij dan maar op znn besluit terug zou willen komen.

Sluiten