Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

met de vrouw gemaakt en haar al haar aardewerk van te voren vergoed had.

Wat keken die nieuwsgierige heeren op hun neus. Als zij niet zoo welopgevoed waren geweest, zouden zij zeker geducht zijn uilgevaren. Nu hielden zij zich stil, maar trokken toch even een leehjk gezicht, 't Was me de „kunst" wel; hadden ze daarvoor nu ieder een os moeten gevenf

Eindelijk troostten zij zich met de gedachte, dat hun gastheer, die heel milddadig was, zeker wel een nuttig gebruik van al dit slachtvee zou maken, maar — jammer bleef het toch, dat zij er zoo in waren geloopen.

Tyl Uilenspiegel trok echter verheugd af met znn aandeel in den buit en vond, dat zijn „kunst" hem geen windeieren had gelegd. —

Nog veel meer streken dan de in dit boekje vermelde, heeft Tyl Uilenspiegel in zijn lange leven uitgehaald en ook bij zijn dood is er nog allerlei voorgevallen, dat hier slechts even zal worden aangestipt.

Zoo wonderlijk als heel zijn leven zich afgewikkeld had, ging 'took bij zijn begrafenis toe. 't Scheen wel, dat alles, wat met Tyl Uilenspiegel in betrekking stond, volstrekt anders moest gaan dan gewoonlijk.

Bij 'tverdeelen van zijn nalatenschap bleek het ten laatste nog eens duidelijk, hoe Tyl er altijd op uit was geweest, den boel in de war te sturen. In plaats van geld en goed, vonden de erfgenamen niets dan steenen in het kistje, dat hij hun als de bewaarplaats van zijn schatten had aangewezen. — — Maar — — ik heb

Sluiten