Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

trokken ze zich terug naar buiten de stad, terwijl hun vriend en meester naar den kerker werd gebracht.

Alleen Kleine Jan had den moed niet verloren. Nu hij Robin in gevaar wist, was hij hun kleinen twist alweer vergeten, en dacht aan niets anders dan hoe hem te bevrijden.

„Komt vrienden," zei hij, „we moeten niet laf zijn! Onze meester is al zoo dikwijls aan allerlei gevaren ontsnapt, laat ons ook nu den moed niet verliezen. Dien monnik neem ik voor mijne rekening. Blijft allen bij onzen bekenden boom, ik ga eerst met Much alleen op weg."

Dien dag en den nacht daarop bleven de twee vrienden in het huis van Muchs ouders, dat aan den grooten weg lag.

's Morgens vroeg stond Kleine Jan uit het raam te kijken, en daar zag hij langs den weg den monnik te paard aankomen, met een page achter zich. Dadelijk riepHaij Much en samen gingen zij den monnik tegemoet.

„Waar gaat de rit naar toe?" vroeg Kleine Jan, met moeite zijne woede bedwingend.

„Ik ga naar den koning," vertelde de monnik trotsch, „met een brief van den opperrechter waarin het doodvonnis wordt gevraagd over Robin Hood, dien schurk! Ik heb den schelm het eerst ontdekt, gisteren; daarom mag iedereen mij dankbaar zijn."

„Maar weet u wel," vroeg Kleine Jan, „dat Robin vele dappere, woeste vrienden heeft, die hem zullen wreken?"

Meteen greep hij het paard bij den teugel, en Much deed hetzelf de met dat van den page.

Dreigend keek Kleine Jan den monnik aan, die bang in elkaar kromp.

„Mijn meester is Robin Hood!" riep Kleine Jan. Meteen sleurde hij den monnik van zijn paard en doodde hem. Ook

Sluiten