Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

Verwonderd keek de rechter er naar. „Dat was een ferme sprong, ouwe!" zei hij.

,,Ik ben nooit beul geweest!" riep Robin Hood, ,,en ik wil 't niet zijn ook! Ik heb hier een zak voor meel en zout, en hier een voor brood en vleesch, en hier een voor koren. En in dien zak heb ik mijn horen, dien kreeg ik van Robin Bood. Als ik er in blaas, zal het u niet goed vergaan."

De rechter werd inwendig bang maar hij wilde 't niet laten blijken. ,,Ga je gang maar, zwetser!" riep hij. „Blaas voor mijn part, tot je oogen uit je hoofd springen!"

Dadelijk zette Robin den horen aan zijn mond, en zoodra de tonen in 't rond schalden, kwamen van de berghelling honderdvijftig man aansnellen. Nog een stoot, en uit het veld naderden zestig dappere mannen.

„Wat is dat? wie zijn dat?" vroeg de rechter verbleekend.

„Mijn vrienden," antwoordde Robin lachend; „die komen bij u op bezoek".

Robins vrienden ijlen naar de plaats, waar de galg al was opgesteld en de ongelukkige jonge mannen gebonden stonden te wachten op de voltrekking van hun ypnnis. Fluks werden hunne banden doorgesneden, en vóór de verschrikte wachters wisten, wat er gebeurde, waren de gevangenen bevrijd en met Robin en zijne vrienden verdwenen.

De opperrechter ging naar huis, blij, zelf het leven er afgebracht te hebben.

Sluiten