Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

HOOFDSTUK V.

Het deed den opperrechter van Nottingham groot verdriet, dat hij Robin Hood maar niet onschadelijk kon maken. Nacht en dag dacht hij er aan; hij kon niet slapen en niet eten van ergernis.

Eindelijk besloot hij, naar Londen te gaan, om den koning zijn nood te klagen.

Deze koning was Richard Leeuwenhart, wel bekend uit de geschiedenis van de kruistochten.

Hij hoorde den rechter van Nottingham aan, maar gaf hem weinig troost.

,,Ge zijt immers opperrechter," sprak de koning, ,,dan moet ge uw gezag ook weten te handhaven. Bedenk een nieuwe list, of gebruik nieuw geweld, maar ik kan niet helpen."

Dus ging de opperrechter ongetroost naar Nottingham terug. Onderweg overdacht hij de woorden van den koning. Een nieuwe list, ja, dat moest het zijn. En hij besloot, een grooten wedkamp in 't schieten uit te schrijven. Zeker zouden de vogelvrij verklaarden dan ook wel te voorschijn komen om mee te doen, en zoo in de val loopen.

De prijs voor den wedkamp zou zijn een pijl met gouden punt en zilveren schacht.

Robin Hood hoorde al spoedig van den wedstrijd en dadelijk sprak hij tot zijne vrienden: „daar gaan we heen ! als er te schieten valt, mogen wij niet ontbreken."

Maar een van zijne jonge volgelingen, David van Dankaster, kwam uk den kring naar voren, en zei bijna smeekend: „doe 't niet meester, ga er niet heen, waag u niet buiten het bosch. Ik heb gehoord, dat die heele schietwedstrijd een

Sluiten