Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

„Robin," sprak hij vriendelijk, ,,nu moogt ge de waarheid weten. Ik ben de koning, uw heer."

Dadelijk boog Robin één knie, maar de koning beval: „Sta op. U is alles vergeven. Sta op, mijn vriend. Nu ik het niet wil, zal niemand u kwaad doen."

Met luid gejuich trok heel de vriendenschaar achter den koning aan naar Nottingham. Het volk daar, verschrikt door het geweldige leven, dacht, dat Robin Hood den koning gedood had, en nu de stad kwam veroveren. De smid liet zijn ijzer in den steek, de landman zijn ploeg, ouden en gebrekkigen vluchtten mee zoo snel ze konden.

Maar de koning liet door een der edelen uitroepen, wat er gebeurd was. Toen werd het volk gerustgesteld en trok de stad weer binnen. De opperrechter riep woedend: „Is dat Robin Hood, die schurk, die telkens op mijn weg komt?"

„Bestel nu eens een heerlijk maal voor ons!" riep Robin vroolijk. „Laat de koning een goeden indruk van ons krijgen." En de opperrechter durfde niet weigeren, al krabde hij zich nog zoo dikwijls achter zijn oor van ergernis.

Den volgenden dag nam de koning den terugweg aan naar Londen. Robin Hood en zijne gansche schare volgde, en kregen hun intrek in het prachtige koningsslot.

HOOFDSTUK VII.

Vijftien maanden was Robin Hood aan het hof gebleven. Hij had er een gemakkelijk, vroolijk leventje, de koning en de koningin waren goed voor hem, maar hij was niet

Sluiten