Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43

Ze ontving hem vriendelijk, vroeg naar zijn naam, waar hij vandaan kwam en waar hij heen ging.

Robin Hood vertelde, dat hij Simon heette en een arme visscher was, die werk zocht.

Toen vroeg de vrouw, of bij bij haar in dienst wilde komen. Ze had juist een man noodig op haar visschersvaartuig: een goed schip, uitgerust met ankers, masten en zeilen, zooals ze vertelde.

Robin Hood nam met blijdschap het voorstel aan en voer met de andere visschers uit op het schip der weduwe.

Maar natuurlijk kende hij niets van het visschershandwerk. Telkens deed hij verkeerde dingen en werd dan uitgelachen door de anderen. Ze maakten hem uit voor domkop en lummel, en zorgden wel, dat hij geen enkele visch kon bemachtigen. Robin verdroeg het zwijgend, maar innerlijk was hij woedend. Hij had nooit zboiets ondervonden.

,,Was ik maar in mijn bosch gebleven", dacht hij, „dan was ik nu op de hertenjacht, inplaats van als een dwaas iets te doen, wat ik niet kan. Daar zouden ze me niet uitlachen."

Maar hij was nu eenmaal visscher, en moest op het schip blijven.

Plotseling zagen ze een groot schip hen naderen. Verschrikt riepen de visschers: „dat zijn Fransche zeeroovers! Ze zullen ons alle visch afnemen en ons dooden! Of ze sleepen ons mee naar Frankrijk en sluiten ons op in een donkeren toren !''

Nu voelde Robin Hood, dat hij iets zou kunnen doen.

„Wees niet bang!" riep hij. „Geef mij mijn boog en geen Franschman blijft in leven!"

Sluiten