Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

hevig verlangde hij, daardoor te ontvluchten, maar 't was hem onmogelijk.

Eindelijk raakte hij zijn trouwen horen aan, die langs zijn knie op den grond hing; met moeite bracht hij den horen aan zijn mond en blies er driemaal in. 't Waren nu geen jubeltonen: zwak en klagelijk klonken ze.

Maar Kleine Jan, die in den omtrek van het klooster wachtte, hoorde het toch. Ontsteld dacht hij: Robin moet in gevaar zijn; de tonen klinken zoo zwak en vreemd.

Dadelijk snelde hij naar het klooster, wist de sloten te laten springen en zóó bij zijn geliefden meester te komen.

in groote smart knielde hij bij hem neder en toen hij begreep, wat gebeurd was, voelde hij hevige woede tegen de vrouw, die zoo verraderlijk had gehandeld.

„Meester, meester", smeekte hij, „sta me één enkele gunst toe."

„Wat dan?" vroeg Robin.

„Laat me dit klooster met alle nonnen verbranden!"

Maar Robin sprak met stervende stem: „Die gunst weiger ik. Nooit heb ik een vrouw kwaad gedaan, ik wil 't ook niet doen aan het eind van mijn leven. — Maar Jan, reik mij voor 't laatst mijn pijl en boog. Ik schiet hem af en waar de pijl neervalt, moet je met onze andere mannen mijn graf delven. Leg aan 't hoofdeind en aan 't voeteneind graszoden en naast mij mijn boog, die mij zoo lief was. Maak zóó het bed gereed, waar ik mijn laatsten slaap zal slapen. De wandelaar, die voorbij gaat, zal weten, dat daar Robin Hood rust.

En zoo geschiedde het.

Sluiten