Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Bertha had haar broer en zuster, Romanie, ingehaald door haar hard loopen.

„Gij hebt wel een fraaien vriend, Theidoorl 't Jonk is zot, of gaat het worden."

„'t En doet *)1 G'en kent hem nietl Houdt uw mulei"

„Ah wel, Thei! wat kom je gij te korte?"

„Houdt uw mulei"

Theodoor stond de muts niet goed; bijna nooit Romanie merkte dat ook en zei: „Zwijgt maar, gij, Bertha I"

Op een draf liepen ze plots allen naar huis. De jongen groette zijn moeder niet eens; Romanie deed het maar koel; doch Bertha vloog haar om den hals.

„Mijn lieve, lieve mamaatje 1 Zoetste kiendetje van heel de wereld 1"

Moeder drukte haar jongste kind aan 't hart

„Eh wel, en zijn Theidoor en Romanie mijn kinderen niet? En hebben zij geen moeder?"

De jongen snokte weerzinnig met het hoofd; doch Romanie kuste haar moeder op een manier, die zei, dat ze het liever niet deed.

De beiden, die elkander innig liefhadden, moeder en Bertha, geleken precies op elkander. Ze waren beiden even hartstochtelijk, levendig en druk in al haar manieren. De woorden stroomden gewoonlijk behaaglijk over haar lippen en gingen immer gepaard met zwierige gebaren, die bij

*) 't is niet waar.

Sluiten