Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

„Is dat den jongen kapot maken 1"

Romanie keek zuur, doch Bertha bleef dezelfde en zei: „Zoete mamaatje I 't en is niet bij faute van papaatje, dat hij maar alzóó is!"

De man keek zijn dochter welmeenend aan, begrijpend, dat zelfs dat kind het verkeerde in moeders wijze van opvoeden, van Thei op te voeden, wel inzag. Daarom zei hij te vrijer:

„Moeder, gij bederft den jongen!"

Bertha vreesde een scène, want ze zag moeders lippen vreemd doen. Doch ze was er handig bij.

„Papaatje! 't en is niet bij faute van onze zoete mamaatje, dat ze maar alzóó is!"

Man en vrouw begonnen weer goedsmoeds te lachen. Vader streelde zijn dochtertje:

„Engeltje, gij!"

Moeder streelde haar ook, en zei: „Droefaardje, gij!"

Romanie keek wrang zuur, en de jongen in de gang begon te gelooven, dat als hij maar alle dagen goed ransel kreeg, hij zijn onwijze kuren wel zou afleeren.

Sluiten