Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

„Daarvan den ouden Edemong van dage mijn knecht is. Kwesje ') slaat hij de kienders den kop af!"

Hij begon opnieuw te lachen, dat dikke tranen uit zijn oogen rolden.

„Zotte!" zeiden alle drie en liepen hem vooruit, want hij scheen geen haast te hebben. „Wacht 'n beetje! — riep hij — gij loopt zoo zeerei" Bertha keek om en .vroeg: „Eh wel, naar waar ga je gij, zotte?" „Luistert, Bertha! — komt 'n keer hiere!" Zij bleef staan.

„Weet wel, Bertha! 'k zie u zoo geerne, en daarvanl ik gaan ik een stiel willen leeren. Als gij Guusten Vermeule ziet, zegt hem, dat ik kome en een letje met hem moete spreken. Loopt zeere, en zegt het hem! — Bonjour 1"

Nu geloofde ze beslist, dat hij niet goed wijs was.

„Dikken zotl" zei ze, gaf hem een fermen klap tegen zijn bolle gezicht en liep heen.

En zoo waar, Mong was nog geen tien huizen ver, of daar stond de behangersbaas. De jongen was zeer verrast, stelde zich evenwel onmiddellijk in postuur, nam zijn pet af en bleef voor den man staan. Maar de verlegenheid overmeesterde hem zóó, dat zijn gelaat nog enkel het oudmanachtige vertoonde.

„B bo bonjour meneere Vermeule Alzoo...,

Bertha heeft het gezeid?"

De man wist niet, wat hem overkwam.

„Bertha? watte Bertha? - Wat klap je gij doch?"

„Ah wah — Bertha, die 'k zoo geerne zie, en die mijn wijf "

Vermeule begon te lachen. Mong schrok even, doch dat lachen gaf hem moed, en terstond kwam dat levendige, sprekende in zijn gelaat, waarin onnoozele openhartigheid, guitigheid en geslepenheid om den voorrang streden. De man, die eerst dacht, dat de jongen niet goed snik was, wist nu niet meer, wat hij er van denken moest

') Wie weet.

Sluiten