Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

„G' hebt het mij gezeid, baas! en ik wete het!"

.Alzoo, ventje! ik hebbe u vast Gij verzoekt ons Heer, dat je meugt Zijn wille doen, daarvan je Hem bemint Maar algelijk moet ge uwen naaste beminnen. Zóó, wat ga je doene met de motte? Kapot maken of laten leven?"

„A wel, gij zijt gij mijn meester in de tapisserie en ik ga uwen wille doen. En is het, dat God mijn meester is, ik ga Zijn wille doen. G' en hebt mij niet vast!"

„Of ik u vast hebbe! Want is 't, dat gij baas zijt inde tapisserie, zoo is God uw meester. En wilt gij serieus den Onzen Vader bidden, gij zoudt moeten de rechtveerdigheid doen, en gij zoudt gij moeten de motte kapot maken oftewel beletten, daarmee uwe kalanten geen schaa lijden. En de motte is uwen profijt! ik hebbe u vast!"

,'t En doet baas Vermeule! ik ga van nu serieus den Onzen Vader lezen en den Wees gegroet en ik ga alle motte kapot maken en versmachten. Nu hebben ik u!"

„A wel, ik ga u dan verbiên, van naar de Geuzenkerke te gaan!"

„G' en doet baas Vermeule! want gij ziet mij geerne, en ik zie u geerne, en gij gaat meegaan naar de Geuzenkérke, Zondag ten zessen 1"

Even lachte de baas; doch hij had er wel zin in, om eens mee te gaan. Dan zei hij fluisterend:

„Mongl zwijgt daarvan, dat de bazinne het niet en hoort Gij weet gij, stijf Christlijk en is zij niet; maar algelijk gelooft zij, dat alle Geuzen vermaledeid zijn. Zwijgt er van. Wij getweeën klappen er van. Gij kunt er gaan en mij de sermoenen vertellen 1"

De baas had niet den knecht vast maar de knecht den baas. Vermeule's mond gaf dat wel niet toe; maar zijn hart zei 't hem.

Sluiten