Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VUL

't Was Zondagmiddag. De familie Lariviere had het noenmaal genuttigd. Romanie en haar moeder hadden de tafel afgenomen en de man zette zich reeds om zijn Zondagmiddagdutje te doen. Bertha zat allerlei lieve woordjes te zeggen tot een leeuwerik, die, in een kooi, vlak voor 't raam, door zijn vroolijkheid blijkbaar het leven van den aangenaamsten kant scheen te bezien. Toen moeder en dochter weer binnenkwamen, zei de laatste:

„A sal zitje gij weeral uit te zien naar Charles?"

„Sa! 't is dartel — zei vader — ik peisden al, hoe 't meuglijk ware, dat Bertha zulke zoete woordetjes vinden kost voor den leeuwérk. Maar 't en was voor den leeuwérk niet, 't was voor Charles. Moeder! gij hadde dat moeten hooren!"

Moeder kende vaders plaagzucht, en had te veel zin, om een dutje te doen, en beantwoordde haar man met een gedwongen lachje. Doch Romanie ging er op in.

„Wat zei ze, vader?"

„O, Romanietje! hadde dat gehoord) De zoetste woordetjes, die 'k van al mijn leven gehoord hebbe!" „Zegt ze, vaderl"

„'k En doel" zei hij, met een loenschen blik naar Bertha, om te zien, of hij geen beweging kon brengen in haar gelaat, waarop geen enkele trek verried, hoe ze vaders plagerij opnam.

„Zegt er ééntje, papaatje 1 één woordetje maart"

„'k En doe! 'k en doel"

Sluiten