Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67

hem niet aan. Maar dien man wilde hij hooren, móest hij hooren, en 't verlangen was zóó sterk, dat elke dag, die hem nog van den komenden Zondag scheidde, een week scheen.

En toch voelde hij de knelling van den angst, als hij er aan dacht, hoe weerloos hij zou staan tegen 't half gevreesde, half begeerde geweld, dat daar op heel zijn ikheid, zijn persoonlijkheid zou gepleegd worden. Edmond

dat zag hij — was reeds een overwonnene, iemand

zonder wil en weerstand tegenover hetgeen hij gehoord had en dat den knaap met een ongekend leven bezield, en hem, toch al zoo vurig, nu in vlam gezet had, zoodat hij, Vermeule, door die vlam was aangeraakt geworden.

Edmond was gevangen, maar hij nog vrij. Edmond was ook nog maar een knaap; doch hij een man. In zoo menigen prijskamp had hij de overwinning behaald, en — hij zou machteloos zijn tegenover de woorden van een Geus, een

ketter ? Dat zulk een jongen reeds vóór den kamp

het opgaf, het bewees, dat er geen kracht in zat

En met opgedrongen overmoed smachtte hij naar den Zondagavond, om zich zelf te bewijzen, dat het er slechts op aankomt, of men wil of niet wil zich laten beheerschen door den geest van een ander. — Den geest van — zie, daar kwam de angst weer, en de bijna uitgedoofde woorden, geschreven in 't donkerst zijner ziel, vlamden weer op: God lief hebben en blijde Zijn wil doen!

Was er dan niets tegen te doen?

Niets?

In eens zag hij het, en lachte even.

„Bedrink u!" had het in hem geklonken.

Ha, ja! hij zou zich dronken drinken, en dan was hij geharnast Hij wist het bij ervaring, dat dronkenschap gevoelloos maakte voor verwijtingen en berispingen, dood voor alle vermaning en goeden raad.

Nu joeg hij allen angst van zich en greep moed. Hij zou naar de Geuzenkerk gaan en 't zou hem niet anders maken dan hij was. En immer sterker werd nu de nieuwsgierigheid.

Sluiten