Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

openhartigheid noodzaakte hem tot antwoorden. Hij had aan Bertha gedacht en over haar zeldzame geestigheid en bruisende vroolijkheid. En op eens had hij zich herinnerd, dat hij in zijn schooljaren met eenige jongens in een zandkuil had gespeeld, en dat ze eindelijk in 't zand waren gaan liggen, vertellend en babbelend over alles en nog wat, en dat toen een jongen had beweerd, dat, als jonge menschen zoo buitengewoon vroolijk en geestig waren, men er op moest rekenen, dat ze niet oud zouden worden. Die bewering was er zóó diep bij hem ingegaan, dat hij ze nog voor volle waarheid hield, en nu in eens had hij gedacht, dat Bertha jong zou sterven, en hoe triestig dat zou zijn.

„Lachedingen, jonk!" zei de baas, en noemde een aantal mannen en vrouwen, tintelend van geestigheid, dronken soms van levenslust en toch reeds oud of bedaagd.

Deze verklaring ontlastte den knecht van zijn triestigheid. Edmonds inwendige bewegelijkheid kwam daarop terstond aan den dag door de vraag, of geestige en vroolijke menschen wel zoo gemakkelijk naar de wille Gods zouden kunnen leven als menschen van kalmer aard.

Deze vraag bracht terstond den baas weer daar, waar hij niet wilde zijn. Want de vraag hield hem en hij de vraag vast. Hij toch was zelf een geestige grappenmaker en altijd een vroolijke schavuit geweest Was zulk een aard nu in 't belang van zijn zaligheid, of niet? Hij geloofde 't laatste. Zijn aard maakte het hem zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk, om naar Gods wil te leven. En — een mensch had toch niet zich zelf gemaakt en kon zich niet anders maken, dan hij was.

Zoetjes aan kwam hij weer daar, waar hij begonnen was: er waren twee soorten van menschen: wereldlijke, die de wereldsche zaken hadden te behartigen en geestelijke die voor de belangen der ziel moesten zorgen. Het was hem nu zóó helder, dat hij 't niet laten kon, zijn overtuiging aan Edmond mede te deelen en — wonderlijk — alweer gaf deze hem gelijk.

Sluiten