Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

in de werkplaats kwam en vroeg of Mong den baas ook gezien had, maakte hij een boodschap naar den grooten kelder, waar gewoonlijk oude en kapotte springveeren matrassen werden hersteld. Eigenlijk had hij er niets te doen en zocht kwansuis om een stuk gereedschap.

Terstond had hij er zijn baas gezien, niets doende, en met vochtige oogen. Met een vriendelijken lach zei hij:

„A wa, baas 1 en gaat gij de weke beginnen met krijschen ?"

Nu dwong de baas zijn lippen ook tot een glimlach, en de knecht zag er terstond het gedwongene van.

,'t Is of ik mankement aan mijn oogen hebbe: 'k ga ze 'ne keer betten met koud water!" zei de baas en begaf zich terstond naar boven. Op weg naar de pomp ontmoette hem zijn vrouw, die ook al vroeg, of hij gekreschen had, en eenzelfde antwoord kreeg als Mong.

Maar Vermeule wist wel, dat hij geen mankement had aan zijn oogen; hij had mankement aan zijn hart, en de venstertjes, waarin de heele wereld in- en uitkeek, verklikten dat.

O, de winnaar van zoo menigen prijskamp had het nu zoo zwaar, zoo vreeselijk zwaar. Een stroom van tranen had de geweldige rapaard reeds geschreid, geschreid als een kind.

En 't mocht wel!

Immer en overal zag hij hetzelfde tooneel, en hoorde Hij dezelfde vriendelijk biddende woorden. Daar stond Hij! Was het Michafil, de aartsengel? of Gabriel? Of was het „ons Heer" zelf? Had hij niet de vijf heilige wonden gezien? Daar stond Hij zoo hemelsch groot en schoont Daar stond Hij, overgoten met barmhartigheid en ontferming als met de welriekendste reukolie. Daar stond Hij, als de wezenlijke almachtige barmhartigheid, Zijn koninklijke armen naar hem uitstrekkende om hem te overladen met eeuwige genade.

En steeds klonk het vriendelijk biddend: Kom tot Mij! Kom tot Mij! 't Klonk met hemelschen klank en 't weer-

Sluiten