Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

toonde machtig in ztjn ziel. Daar stond Hij, met den hemelsch glanzenden blik der heilige liefde in Zijn oogen, en tegenover Hem stond hij, Vermeule, de winnaar in zoo menigen prijskamp, de gevierde burger, de trots van zijn stad.

Maar — in den kamp tegen de Goddelijke barmhartigheid wilde hij zich niet gewonnen geven. Want verloor hij hier, dan verloor hij al de eer en roem, waarmede zijne burgers hem nog steeds overlaadden. Onderdoen voor dien Machtige, buigen, zich in Zijn armen werpen als een gevangene, dat wilde hij niet. Maar hoe dat majestueus Algeweld te weerstaan? Hoe Hem te ontkomen?

Vlak naast hem was een poel van walgelijk vuil. — Indien hij zich zelf hier in wierp! - Dan zou de reddende arm des Machtigen hem niet kunnen grijpen I — Dan zou hij niet verwonnen zijn!

En hij had zich in dien poel geworpen! Dat had hij gisteren gedaan; gisteren, toen die heilige handen zich naar hem hadden uitgestrekt — Nu hadden die handen zich teruggetrokken. Nu bevond hij zich in den poel, en de Redder was heengegaan. Het allerbeste, en meeste, wat God aan menschen kon geven, was hem gisteren toegereikt, en hij had zichzelf onmachtig gemaakt, om dat allerbeste te aanvaarden. Nu was het voorbij, en hij treurde daarover.

Hij zag het in, hoe wreed hij geweest was tegenover dien Heilige; maar ook, hoe wreed tegen zich zelf. Zich onkwetsbaar maken voor het geweld van een geduchten vijand, was zijn bedoelen geweest; maar wat hij gedaan had, zag hij nu in als de daad van een drenkeling, die een reddingboei van zich werpt, en zich dieper onderdompelt om buiten het bereik te komen van een reddende hand, de hand van meer dan vader, meer dan moeder, de hand van — En dan zag hij weer dien hemelschen blik vol enkel liefde, en hoorde nog den verren klank dier machtige woorden: Kom tot Mij!

En dan vloten de tranen weer.

Sluiten