Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

„Treflijke, goede Nannette! ik vrage vergevinge' geeft mij uw hand!"

„Droefaard, gij!" zei Nannette, pakte de toegestoken hand en schudde die hartelijk.

En dan begon ze te verklaren, waarom zij Edmond hoogachtte en niet gaarne hoorde, dat hij „de zotte" genoemd werd. 't Ware tewenschen, dat alle jonge menschen zoo ernstig waren als hij. En dan deelde ze 't heele gesprek mee, dat hij en haar moeder met hem gehouden hadden en dat zij in alles hem had toegestemd.

Bertha fronste plotseling het voorhoofd en staarde een poos naar buiten. Daarna keek ze, diep zinnend, naar het „kader" en dan zei ze, als ontwaakt uit een mijmering:

„Ik weten het! ik weten het! — Nannette, zegt het mij: is Edemong altijden zoo geweest?'

„Ik meene van neen, Bertha!"

„Zoo, gij weet dat dan ook! En weetje gij, wat hem anders gemaakt heeft?'

„Neen 'k, Bertha! 'k En wete van nieten!"

„'k Weten ik het! Sa! 't is datte!"

Haar blik scheen dwars door iets heen te boren. In eens ging ze naar den wandtekst, wees er met den vinger naar en zeide:

„Ik peize, dat datte een goê woord is!"

„'t Is voorzeker een goê woord, Bertha!"

Doch deze schudde het hoofd en zei:

„Onnoozelare, gij! g» en verstaat dat niet! ff en weet niet, wat gij zegt! Leest:

En Maria zeide: Zoo wat Hij (Jezus) u zeggen zal, doet dat!

Ware het, dat gij het verstond, g' en zoudt het daar met willen laten!"

Nannette keek vreemd op, en zei aarzelend:

„Ik peize, dat het uit het heilig Schrift is!"

„'t Is daarvan, Nannette! 'k Ben ik ook van gedacht dat het in 't heilig Schrift staat Maar kwame het niet van de Geuzen, dezen kader en zou hiere niet zijn!"

Sluiten