Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

96

„Dat en betaamt niet! — zei ze — de toer is aan u gedreiën! Zegt elk entwat!"

Ze zette zich deemoedig neer, om van allen haar de les te hooren lezen.

„'k Ga ik beginnen: — zei Nannette — Bertha en is geen windhane. Als ze entwat zegt, ge meugt er van verzekerd zijn, dat het alzoo heur meenst is!"

„Ja 't, — zei vrouw Staessen — 't is de waarheid!"

Maar dit was werkelijk voor Charles een groot gebrek in haar, en hij wees het dan ook als zoodanig aan.

„G* en meugt den dag van vandage niet aan eikendeen uw gedacht, uw meenst zeggen. Ge zijt dan overal den kwaden duivele, en niemand ziet u geerne!" En zich dan tot vrouw Staessen wendend, voegde hij er bij:

„Z' en kent zij de wereld niet: 't is dat heuren gebrek!"

Bertha boog het hoofd diep voorover en begon op treurigen toon:

„O, mea culpa! mea culpa! — 'k en kennen ik de wereld niet! Neen 'k, 'k en kenne ze niet En 't is daarvan, dat ik gisteren op den uitkijk gelegen hebbe, en Ti hebbe een gaatje in de wereld geboord en er door gekeken, 'k Hebbe toen alles gezien; maar de wereld en heeft mij niet gezien!"

Aller nieuwsgierigheid was daarmee terstond gespannen, en uit drie monden tegelijk klonk het:

„Zegt, Bertha! wat gij gezien hebt!"

„Neen 'k! 'k en mag niet!"

,'t Doet, Bertha! zegt het!"

„Ba ja g', zegt het!"

Bertha zat weer met het hoofd diep voorover gebogen, alsof daar het gaatje was, waardoor ze in de wereld had gezien, en 't nóg eens zag. Dan begon ze:

„D'r was een berechtinge (bediening met het Sacrament der stervenden. Bertha bedoelde den gang van den geestelijke naar den stervende).

„D'r was een berechtinge. — De koster klingelde met zijn belletje, dat de menschen moesten knielen, want dat „ons Heer" kwam, gedregen door den pastor. De menschen

Sluiten