Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

telkens in de rede vallend met vragen en tegenwerpingen, 't Verlangen naar den Zondag begon weer levend te worden: hij zou zich dan overgeven, zich laten grijpen door de sterke macht der waarheid daar in de kerk. Want daar was het, en nergens anders, meende hij.

Maar — Zondag moesten ze weer gaaischieten. Doch dat kon. En dan — een biljardpartij in „'t Hof van Vlaanderen", dat kon ook. Dan — ja, om halfzes zou hij toch thuis kunnen zijn.

Maar — als dan daar in de kerk en dan

was 't uit! — Dan zou de wille Gods en de rechtveerdigheid over hem heerschen, en dan was 't voor ééns en voor altijd gedaan met spel en sport

Maar — dat kon toch niet, dat wilde hij niet Nooit I — Dan moest maar komen, wat wilde! Dan moest God maar Zijn gang gaan! Zoo lang hij kon, zou hij doen, wat hij zelf wilde. Als je verloren moest gaan om een spelletje kaart of biljard, of om een goed gemikten pijl of knikker, — welnu dan! Zóó worstelden goed en kwaad met elkander in zijn inwendig wezen, en de strijd werd heftiger naarmate de Zondag naderde. En intusschen wisselden verlangen naar en vrees voor de geheimzinnige macht elkander tamelijk regelmatig af.

Doch de vrees kreeg de overhand. Het speet hem, dat hij Edmond beloofd had, mee te zullen gaan. Terugkrabbelen evenwel wilde hij niet: hij zou er wel iets op vinden.

Doch Zondagavond halfzes vond de knecht zijn baas niet thuis en moest alleen naar de kerk. Zooals de bazinne zei, was haar man reeds den heelen middag uit van twee uur af. Even wachtte Edmond nog en ging dan met een gevoel van teleurstelling op weg. Hij hoopte evenwel, dat Vermeule reeds in de kerk was, en zoodra hij zelf daar binnen kwam, zocht hij terstond de banken af. Maar zijn baas was er niet

Doch juist toen de Evangeliedienaar het spreekgestoelte betrad, ging de deur open en stommelde een dronken man

Sluiten