Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

De knecht scheen nogal belang in de zaak te stellen; hij vroeg:

„Wien is diene vriend van Cies, en waar weunt hij?' „Awei, 't is Goeie, de smid! En wat wou je gij daarmee?"

„A sa! Goeie? Kwesje, weet ik een wijf voor Cies. Maar ze is arm!"

„Zoo vele te beter!"

„En 't is bijkans een oud wijf!"

„Cies en zou geen jong wijf moeten hebben!"

Mong had het eens doorzien: hij sloeg met de hand op de knie, dat het klapte.

„Ik weet ik een wijf voor Cies! Baas, als je wilde, je zou subiet naar Goeie moeten gaan en zeggen, dat je een goed wijf voor Cies weet!"

Edmond vertelde nu van zijn bezoek bij dikke Rosalie en van de ontmoeting met Fina, en dat ze Zondag wel weer in de kerk zou komen. De baas liep nu terstond naar Goeie, en Goeie ging nog denzelfden dag naar Cies, en Cies toen terstond naar den predikant, en van dejn predikant naar Edmond. Deze beloofde, dat hij vóór Zondag Fina nog eens bezoeken zou, om al het mogelijke te doen, dat zij dan in de kerk zou komen, en dan zou hij wel aanwijzen, wie 't was. En hij kweet zich meesterlijk van zijn taak.

„Genavend, Fina! en hoe gaat het? En gij zit gij maar altijden zeere te ambachten! Gij gaat nog rijke worden, gij!"

Fina lachte goedmoedig:

,'k Ben stijf content, Mong! stijf content van den verdienst: 't en is niet vele; maar algelijk ik ben content, 'k ben ik niet vele gewend. Op den buiten j' en verdient ook niet vele. Gave ons Heer, dat ik altijden werk hadde. Den baas is ook stijf content, en hij heeft gezeid, dat ik alle touwe voor hem zou meugen verwerken, 't Is maar, dat het zoo riekt, als ik het koke. Heel 't huis riekt van den teire!"

Sluiten