Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128

in heuren huis. 'Nen wijf toebak smoren! — 'k Ga doen, alwat gij zegt!"

Zij beloofde, dat als Mong nog eens terug kwam, dan zou ze hem op een bakje koffie trakteeren, omdat ze hem gaarne haar tevredenheid wilde bewijzen. Toen Edmond het buisje verlaten' had, overlegde hij terstond, wat hij Zondag na den morgendienst haar zou kunnen te zeggen hebben, en dan 's avonds nog weer wat anders. Haar een „schoonen kader" beloven, dat was al één. Als hij nu eens wat werk voor haar zou kunnen opsnorren? Want hij wist wel, dat er niet altijd touw te pluizen was. Doch — als ze nu eens met Cies trouwde, dan had ze dat werk ook niet meer noodig. 's Morgens kon hij haar alvast een „kader" beloven, en — als hij dan 's avonds nog niets wist, dan kon hij er nog een tweede kader bij doen.

Vier weken later waren Cies en Fina getrouwd, beiden gelukkig, omdat ze uit allen nood en zorg waren, want de man had nu een goede huisvrouw, de kinderen een

zorgzame moeder en de vrouw altijd werk en brood.

De vader was content, en de kinderen waren content, doch Fina was stijf content Want wat had ze nu een groot inkomen! en wat een gezin! en wat veel te doen!

Mong werd er huisvriend. En menig aangenaam uurtje droeg hij mee uit de volle levendige woonkamer van Cies en Fina, droeg die uurtjes mee naar zijn werkplaats, om er zijn baas, en als ze wilde, ook de bazinne, van mee te doen genieten.

„Baas Vermeule! dat ik doch zulken pleisier van Cies en Fina hebbe! Ge zoudt moeten Cies hooren klappen, zoo zoete, zoo schoone, zoo geestig en serieus: 'k en hebbe 't van al mijn leven alzoo niet gehoord. En er is nieten op de heele wereld, of hij klapt er van: van de kerke en van 't Evangelie, en van den keunink en van 't Walenland en van de Congoleezen, en van bloemen en veugels. En je hoort dat en kunt niet laten van te luisteren, en je

Sluiten