Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

geenen mensch en vreezen. Maar al de anderen ze vreezen de menschen, en z' en vreezen God niet! 't Is datte!"

Dat was naar 't hart van Vermeule gesproken. Juist! dat was het. Dat was het geloof, het „betrouwen op God." Dat had hem in staat gesteld om in eens te breken met wat voor de menschen het heerlijkste was. Dat „betrouwen in God" had hem doen durven een dwaas te zijn voor al zijn vroegere vrienden. Maar hoe wispelturig waren die menschen. Toen hij begonnen was, God naar Zijn Woord te dienen, afstand te doen van alle wereldsche ijdelheid en den Zondag te heiligen, toen hadden de menschen verachtelijk gesproken over het Evangelie, omdat het hem hun leege wereldsch leven had doen ontvlieden. Maar nu datzelfde Evangelie de menschen iets deed durven doen, wat zij niet durfden, en wat toch in den strijd tegen het Qericalisme hun zeer te pas kwam, nu prezen ze dat Evangelie, en nu schenen de Evangelischen wel hun allerbeste vrienden te zijn.

Edmond doorzag het nu ook in eens. Hij sloeg met de hand op zijn knie, dat het klapte en zei: „'k Hebben ik de dochter liever als de moeder!" Maar nu was de baas in eens de kluts kwijt „Wat klapje gij van dochter en moeder?' De knecht vertelde nu, wat de moeder, en wat daarop Nannette gezegd had, en dat hij daaruit had afgeleid, dat de dochter nog geloof had; maar de moeder niet omdat ze met iedereen vrienden wilde blijven.

„En wat gaat gij nu zeggen, baas Vermeule! als de menschen u prijzen, en 't Evangelie prijzen, daarvan de Evangelischen entwat durven, dat de anderen niet en durven?'

„'k Ga 't u zeggen, Mong en gij moet gij juist-en-gelijk doen: ik late ze klappen en 'k zegge nieten!"

„Nieten? Dat en is naar 't Evangelie niet!"

„Ge moet mij wel verstaan, Mong! 'k zeggen ik nieten op al heur geklap; maar als ze uitgeklapt zijn, ik zegge: Ge moet gij ook het Evangelie gaan hooren en 't Heilig

Sluiten