Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVI.

't Was Carnaval. — Carnaval in een Roomsch land.

Zooals een laatste kermisdag en -nacht uitsteekt boven al de andere dagen van het jaar, zoo steekt Carnaval uit Jjoven alle kermissen. Carnaval is het feest, waarop het vleesch zich wijdt aan alle lusten.

Doch niet, alle menschen doen mee aan de kermispret, en in Roomsche landen vieren niet alle Roomschen Carnaval: wie zedelijkheid op prijs stellen, helpen mee, om het feest der bachanaliën uit te roeien.

Het groote kwaad van Carnaval steekt hierin, dat, wie er aan meedoet, zich maskert, en dat niemand een ander de mom mag afrukken. De gemaskerde is voor "allen een onbekende, en de onbekende doet, wat hij wil. De eigen vrouw herkent haren man, de man zijn eigen vrouw niet

Mannen staken zich in vrouwengewaad en vrouwen verbergen zich in mannenkleed; ouden maskeeren zich met jeugd en jongen met ouderdom. De heer is boer, en de boer heer, de militair schipper, en de schipper militair. En allen doen zot; doch dit zot doen is dikwijls niets anders dan het masker der grofste onzedelijkheid.

Carnaval is de huldiging der krankzinnigheid, de vereering van het ideotisme. En toch — daar hebt ge weer den mensch — en toch bedient de volksconscientie zich van de veiligheid van het masker. En wat men met open vizier niet durft, dat durft men gemaskerd, want de ver-

Sluiten