Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVII.

Den heelen winter had men in de Evangelische kerk, 's Zondagavonds, last gehad van allerlei plagerij. Eens had men, van buiten, met touw de voordeur vastgebonden, zoodat eerst iemand door een achterdeur uitgelaten moest worden, om den uitgang door de voordeur mogelijk te maken. Een anderen keer had men dunne touwen gespannen om de kerk heen, om de menschen te laten vallen. Meermalen werd er met straatvuil door de deur in het portaal en eens in de kerk geworpen. Het was dus zeer noodig, dat het toezicht bij de kerk verscherpt werd. Doch dit scheen hoegenaamd niets te baten.

De hulp der politie inroepen wilde men niet, omdat men daarmede „het Evangelie" gelijkstelde met kroegen, schouwburgen en „danskoten". Het Evangelie was zich zelf genoeg en behoefde geen hulp van het zwaard der overheid.

Toen nu, niettegenstaande er nauwkeuriger toegezien werd, de plagerijen toch aanhielden, nam Vermeule, die zich 't meest van allen ergerde, zich voor, er een eind aan te maken. Maar — zonder dat iemand er iets van wist

Hij verborg zich achter een openstaande voordeur en kon door de kier zien, wat er gebeurde. En jawel, toen de dienst reeds een poosje aan den gang was, kwamen de jonge heertjes van drie zijden één voor één stilletjes opdagen en post vatten op een twintig schreden van de deur. Na eenig gefluister gingen twee knapen regelrecht

Sluiten