Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

„Baasl 'k hebben u gezeid, dat ge 't niet en ging gelooven. Zoo, *k en weet niet meer, wat zeggen 1"

Mong zei niet meer, en Vermeule vroeg niet meer. Hij geloofde zijn knecht wel; maar — daar stak toch iets achter.

Zondagavond was Edmond weer in de kerk, en zijn baas merkte dan op, dat het rustig was buiten. Even wipte bij de deur uit, om te zien, wie er de wacht hield; doch er was niemand te ontdekken.

Toen een paar volgende Zondagen 't nog altijd even rustig was, en de baas telkens weer even naar buiten ging, om een oplossing te vinden van wat voor hem een raadsel was, en toch niets vond, kon hij 't — na de kerk — niet laten, tot zijn knecht te zeggen:

„Mong! gij hebt gelogen'"

„A wa, baas! waarvan?"

„Gij hebt gezeid, dat den Broeder Overste de wacht gink houden; maar 'k en hebbe hem geen een keer gezien!"

„A sa, baast g' hebt gij hem niet gezien? G' en kent hem dan niet!"

„Ha, hal 'k en kenne ik den Broeder Overste niet!"

Even keek Mong naar alle kanten rond, alsof hij vreesde, bespied en beluisterd te worden. Hij deed dit wel niet zonder de hem eigene komische gemaaktheid, die gewoonlijk aan een „geestigheid" vooraf ging, doch de baas kwam toch dicht met zijn oor bij hem, toen Mong fluisterend zei:

„Luistert, baas Vermeule! de Broeder Overste heeft oogen die verre zien, en ooren, die verre hooren en een mond, die verre spreekt, en handen, die verre pakken, en alzoo is 't meuglijk, dat hij hiere de wacht houdt, al is 't, dat gij hem niet en ziet!"

„Geestigaard, gijl" zei de baas en lachte.

Voortaan was het 's avonds om de kerk heen even rustig als anders. En toen Edmond aan den baas zijn bezoek bij den Broeder Overste had meegedeeld, zei de baas:

„Algelijk zijt gij wijzerder geweest als Tc ik!"

Sluiten