Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XLX.

't Was een mooie morgen, en de temperatuur kon niet aangenamer zijn dan ze nu was. Vroeg waren De Vries en Edmond op reis gegaan, en ze genoten beiden van 't heerlijke weer; doch Edmond het meest, omdat dit uitstapje voor hem een zeldzaam buitenkansje was.

„'t Zal een lange dag voor ons worden," zei De Vries, „en we zullen moeten zien, in Klembeeke aan een eenvoudig middagmaaltje te komen. Zou ons dat daar lukken?"

„Wacht een beetje, meneereI 'k ga ik datte zorgen: ik wete, waart"

Edmond was geheel in de wolken nu, en zijn mond Stond hem bijna niet stil.

„A wa, meneere De Vries, 'k verstaan ik, dat den Heere Jezus zijn heilige Apostelen allegaar getweeën uitzond. Wat moet je gij doene, als g' alleene verdriet hebt ? Ge kunt gaan staan krijschen ') maar j' en hebt er niet met al aan, omdat je maar alleene zijt, en niemand ziet of hoort, dat je krijscht Maar zijt ge getweeën en je hebt verdriet, en je gaat krijschen, t is dan, of je geen leed en hebt En is 't, dat je plezier hebt, en je zijt maar alleene, 't en is geen pleizier. Je zoudt moeten alleen gaan staan lachen of zingen en geenen mensch en zou 't hooren. Maar zijt ge met nog entwien, je lacht getweeën wel drie keers zoo luide en 't doet uw herte deugd, dat 'nen ander ook pleizier heeft Zoo, den Heere heeft zijn heilige Apostelen getweeën met het Heilig Schrift doen uitzetten, en

*) Huilen.

Sluiten