Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

167

een N. Testament Edmond knipoogde De Vries toe, dat de baas het boek wel zou koopen. Doch de man bleef lezen, en de colporteurs wachtten, nog wel een kwartier tij da. 1

Daar er niets anders te drinken was, bestelde De Vries een „kappertje bier" (voor een halven stuiver). Edmond scheen dat ook gedaan te hebben. De waard greep nu naar zijn beurs, telde het geld voor het N. Testament van de eene hand in de andere, en Edmonds oogen glansden van vreugde, dat hij voor 't eerst een Boek zou hebben verkocht Hij kon zijn blijdschap niet inhouden en zei tot den waard:

„Gij zult er gelukkig mee zijn I"

Toen keek de waard hem aan, stak het geld in zijn zak, gaf Edmond het boek terug en zei:

„'k En willen ik door u niet gelukkig gemaakt zijn!"

Arme Edmond! Hij had zijn verdriet zijn diepe teleurstelling willen uithuilen! De Vries had medelijden met hem. Edmond betaalde zijn halven stuiver, en daar het bestelde kappertje bier nog niet ingeschonken was, gingen nu beiden heen.

Op straat gekomen, stonden Edmond de tranen in de oogen en zwijgend begaven beiden zich op weg naar huis. Doch juist aan 't eind van 't dorp bleef Edmond staan.

„Ik hebbe geen eentje verkocht!"

„Ik ook niet!"

„Niemand heeft mij een enkel vriendelijk woordetje gegeven!" „Mij ook niet!"

Geen een, die een traktaatje wilde aanveerden!"

„Van mij ook niet; maar ik heb er hier en daar een achter de deur verstopt! Ze zullen ze wel vinden!"

„Maar ze gaan ze dan verscheuren of branden! Hebt ge zoo entwat nóg beleefd, meneere? Zulk een parochie?"

„O, Mong! zoo zijn er zooveel! Doch men moet aanhouden, immer aanhouden, en eindelijk gaan ze er zelf om vragen. Je weet wel:

Sluiten