Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

168

Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat weenend voort en zaait het al.

Doch hij zal, zonder ramp te schroom en

Eerlang met blijdschap wederkomen En met gejuich te goeder uur Zijn schooven dragen in de schuur."

Nog even stonden ze daar hun triestige arbeidsveld te overzien.

„Maar Mong! je zoudt zorgen voor een noenmaal!" „MeneereI 'k zou in deze parochie niet durven eten: ze zouden ons kunnen vergeven!" „Maar wat dan?"

„We gaan van hier gaan, meneere! en we gaan brood koopen bij den bakker, die een Bijbel van u gekocht heeft 1"

„Dat is goed!" zei De Vries en wilde gaan, doch Mong hield hem tegen.

„Schudde eerst het stof van uwe voeten, lijk ik! 't Is de Heere, die 't gezeid heeft aan zijn heilige Apostelen, dat ze moesten 't stof van heur voeten schudden als ze entwaar niet wel ontvangen wierden I"

Mong stampte nu hard tegen den grond en was niet eer tevreden, of De Vries moest het ook doen.

„Zoo, nu gaan we gaan!"

Amechtig van vermoeidheid liepen ze zwijgend naast elkander voort, tot ze een terrein bereikten, waar bijna geen huizen stonden. Hier vlijden ze zich in 't gras van den berm neer, en haalde De Vries zijn boterhammen te voorschijn: hij had nog geen gelegenheid gehad iets te nuttigen. Edmond had onder 't colporteeren één van zijn boterhammen opgegeten, en zocht nu zijn overschot Na 'sHeeren zegen daarover gevraagd te hebben, begonnen ze hun kleinen maaltijd. De Vries deelde, wat hij meer had, met Edmond, en als ze het weinige gretig verorberd hadden, herinnerde zich de eerste, dat hij nog iets bij zich had: het gevonden pakje; de andere bad er niet meer aan gedacht Doch wat hij nu oogen opzette.

Sluiten